CONTENT
Terug naar community
Magazine
Proceedings
Blogs
Master thesis
Zoeken
THEMES
The CIO speaks
The architect answers
The business decides
Effect of architecture
SOA
BPM
Methods
Principles
Financial services
Public sector
Health sector
Most popular items
 
 
Via Nova Architectura forum
Welcome, Guest
Please Login or Register.    Lost Password?
Re:De Digitale Rijksbouwmeester? (0 viewing) 
Go to bottom Post Reply Favoured: 0
TOPIC: Re:De Digitale Rijksbouwmeester?
#27
Re:De Digitale Rijksbouwmeester? 4 Years, 6 Months ago  
In zijn bijdrage van 29 juli jl. herhaalt Rijsenbrij zijn opvatting. Dat vind ik nog steeds geen discussie. Verantwoorde beoordeling van zowel mijn bezwaren, als mijn alternatieve voorstelling (zie mijn eerdere bijdragen) vergt een ander, zeg maar, paradigma dan wat Rijsenbrij hanteert.
Ik meen zijn architectuurparadigma , waarvan ik trouwens vermoed dat Rijsenbrij zich nog niet of nauwelijks bewust is , fundamenteel te begrijpen. Dat inzicht maakt mijn netzo fundamentele kritiek erop mogelijk. Omgekeerd wekt Rijsenbrij (op mij) echter allerminst de indruk dat hij erkent dat ik een ander paradigma bepleit, laat staan dat hij ook weet wat ik met civiele informatiekunde bedoel. Daarom vind ik de discussie tot dusver niet productief. Ik waag nog een poging.
Het "plaatje" dat Rijsenbrij met "overall" aanduidt, is nog veel te beperkt. Ik meen bij hem de naieve aanname van de mogelijkheid van een enkelvoudige gezagshierarchie te herkennen. Dat is dus een illusie. Op de civiele schaal is niet een persoon 'de grote baas' die als onbetwistbare opdrachtgever telt voor de (hoofd)architect. Dat is slechts een irrationele machtsdroom van ..., ja, van wie eigenlijk? Een professionele architect koestert zo'n illusie nooit.
Onlangs ontleende ik een verkenning naar civiele informatiekunde aan stedenbouwkunde. Zie mijn opstel Civiele informatiekunde vergelijkenderwijs (http://primavera.fee.uva.nl/PDFdocs/2007-10.pdf). Opmerkelijk aan de positionering door stedenbouwkundigen blijkt dat zij zich geen architect noemen. Opzettelijk scheppen zij enige afstand. Een architect werkt op gebouwschaal, terwijl zij de schaal van de stad kennen. De ene is niet beter of slechter dan de andere. Er bestaat kwalitatief verschil. Noodzakelijke samenhang ontstaat met aandacht, wat stedenbouwkundigen noemen, door de schalen heen. Inderdaad, die integrale aandacht is zachtjes gezegd niet het sterke punt van menig (gebouw)architect. Vanaf een zekere varieteit loont het dat de stedenbouwkunde er als extra discipline op let, met overeenkomstige ontwerpbijdragen.
Min of meer vergelijkbaar meen ik dat er van oudsher toepassingsinformatiekunde bestaat. Extrapolerend vanuit een oorspronkelijk geisoleerd werkend (computer)programma is weliswaar het bereik van dergelijke informatiekunde gegroeid tot de onderneming of, algemener, organisatie (enterprise). Het (overwegend impliciete) paradigma bleef echter onveranderd. Die inherente beperking stelt een grens aan opschaling.
Wat Rijsenbrij beweert, is en blijft allemaal prima geldig binnen die grens. Maar ja, als grens raakt zij pas herkenbaar met het paradigma voor de ruime(re) schaal.
Als Rijsenbrij "het overall plaatje" vermeldt, dient hij zich bewust te zijn van die ruimere schaal en van wat daar allemaal kwalitatief anders verloopt. Ik wil niet flauw zijn, maar het eerste dat daar moet sneuvelen is zelfs het idee dat "het overall plaatje" uberhaupt zinvol is.
Wat Rijsenbrij suggereert als "de werkwijze van een architect," is alle samenhang ten spijt niet hetzelfde als wat een stedenbouwkundige doet. Hij heeft echter nog niet gezien, althans merkte ik er uit zijn reactie niets van, dat ik met civiele informatiekunde een andere discipline bedoel dan met toepassingsinformatiekunde. En omdat het verschillende disciplines zijn, kunnen , en moeten , ze complementair werken.
Rijsenbrij extrapoleert , zijn opvatting van , architectuur ver voorbij haar reele maatschappelijke grens. Wat hij "wanorde" vindt, is dat natuurlijk niet zomaar. Op maatschappelijke schaal is er altijd een orde ... aan de orde. Het waardeoordeel berust in een democratie niet bij een persoon, maar vormt de (dynamische) resultante van maatschappelijke processen. Het veranderingsproces van de ene naar een andere orde is uiteraard eveneens maatschappelijk van aard. Met het eufemisme "respect" geeft Rijsenbrij volgens mij vooral aan dat burgers zich er niet mee mogen bemoeien. Dat knapt "een projectdictator" wel op. En daar is de machtsdroom weer, de werkelijke dictator is "een hoofd-architect die een simpele architectuur neerlegt."
Zo totalitair mag het eventueel binnen een organisatie toegaan (verstandig vind ik het trouwens niet), maar een open samenleving gaat zo gauw dicht.
Ook elders zie ik bevestigd hoezeer Rijsenbrij vastzit in een organisatiecentrische kijk. Over "doorpolderen [...] vraagt hij zich wel eens af of dit een truc is van leidinggevenden om geen verantwoordelijkheid te hoeven nemen." Let wel, verantwoordelijkheid voor een leidinggevende vooronderstelt een hierarchisch (gezags)verband. Op de schaal van een aparte organisatie klopt die aanname redelijk. Maar zij is principieel vals voor maatschappelijk verkeer in een open samenleving. Een deelnemer temidden van andere deelnemers heeft uiteraard ook een verantwoordelijkheid, maar die verschilt dus wezenlijk van een verantwoordelijkheid volgens een hierarchische positie. Zolang Rijsenbrij dat door elkaar haalt, stellig onbewust overigens, acht hij dictatuur logisch. Angstig, hoor.
Zodra eenmaal duidelijk is dat in nauwe wisselwerking veranderingen nodig zijn op organisatorische en maatschappelijke schaal, kan Rijsenbrij als ongeleide projectielen zijn stoere uitspraken , "We moeten ophouden met polderen en vastberaden gaan transformeren." , staken. De heersende misvatting is nog altijd dat overheidsinformatievoorziening past volgens traditionele toepassingsinformatiekunde, zeg ook maar architectuur a la Rijsenbrij. Daar klopt echter juist voor overheidsinstellingen (bijna) niets van. Naar hun aard, overheid dus, zijn ze onlosmakelijk deelnemers aan maatschappelijk informatieverkeer, zoals burgers en bedrijven dat in allerlei opzichten ook zijn. Dat vergt principieel een andere schaal, de maatschappelijke danwel civiele. In navolging van stedenbouwkundigen geef ik er de voorkeur aan om op die schaal niet langer van architectuur te spreken. Het _object_ van civiele informatiekunde is naar mijn idee infrastructuur voor informatieverkeer, met infrastructuur in de ruime betekenis van (verkeers)regels tot en met materiele voorzieningen.
Voor wat Rijsenbrij volgens mij afwijzend "polderen" noemt, wijs ik aanhoudende onzekerheid aan bij politici, bestuurders en (hogere) ambtenaren. Zij beseffen niet dat overheidsinformatievoorziening noodzakelijkerwijs integraal onderdeel vormt van infrastructuur voor maatschappelijk informatieverkeer. De maatregelen die zij treffen, zijn daarom steevast voor de verkeerde schaal gedimensioneerd. Mislukking volgt onherroepelijk en die wakkert onzekerheid verder aan ... Hun onvermogen valt ze overigens (nog) nauwelijks te verwijten.. Want als Rijsenbrij , nota bene een hoogleraar op het gebied van informatievoorziening , al zoveel moeite heeft met herkenning van de beperkte reikwijdte van het traditionele informatiekundig paradigma, tja, wat moeten zij dan?
Dus, nee, het doel is niet zoals Rijsenbrij nog in een adem stelt "een slanke, flexibele, gebruiksvriendelijke, voorwaardenscheppende overheid." Wanneer ik zijn bewoordingen zoveel mogelijk leen, geldt als algemener doel wel "een slanke, flexibele, gebruiksvriendelijke" infrastructuur voor maatschappelijk informatieverkeer. Mogen daar veilig en betrouwbaar bij? Goed, de positionering als infrastructuur verduidelijkt meteen wat wezenlijk telt voor de "voorwaardenscheppende overheid." Voor deze opgave zijn 'we' er natuurlijk niet met een "transformatiepad" en een "overall programmamanager" met "veel ruggengraat." Op intraorganisatorische schaal kan je daar weleens een eind mee komen, maar echte infrastructuur is anders.
Ja, Rijsenbrij's opiniebijdrage aan Automatisering Gids van 27 juli 2007 had ik al gelezen. Nee, architectuurretoriek schept nog lang geen orde. Het commentaar van hoofdredacteur Westerveld in hetzelfde nummer versterkt Rijsenbrij's pleidooi voor "een eindregisseur;" hij zit blijkbaar eveneens gevangen in het beperkte (gebouw)paradigma.
Als naschrift in zijn bijdrage van 29 juli jl. aan dit forum stelt Rijsenbrij dat "we onze energie niet [moeten] stoppen in het vinden van een andere aanduiding voor de Digitale Rijksbouwmeester." Daarmee sprak Rijsenbrij ondermeer mij direct aan. Zijn oproep wekt echter verdere twijfel of hij mijn bijdragen tot dusver wel serieus las. Ik heb vanaf mijn eerste bijdrage (14 juni 2007) wezenlijke kritiek geuit op zo'n functionaris. Daarin stak ik (veel) energie. Nota bene, over de naam van de functionaris zoals bedoeld door Rijsenbrij heb ik het (dus) niet eens gehad. Dat was inderdaad verspilde moeite geweest.
Rijsenbrij blijft ondanks mijn bijdragen benadrukken dat "de wereld, onze samenleving [...] steeds digitaler wordt en daar is een Rijksbouwmeester voor nodig!" Ja, die digitalisering was me ook opgevallen. De instelling van een Digitale Rijksbouwmeester zou echter een organisatorische, dus kleinschalige maatregel zijn voor wat een maatschappelijk, dus grootschalige ontwikkeling is.
Vooruit, nogmaals, om elk misverstand te vermijden: De instelling van een Digitale Rijksbouwmeester zou inmiddels zelfs averechts werken. Waarom? Zij bestendigt een beperkt en beperkend paradigma voor informatievoorziening.
 
Logged Logged  
  The administrator has disabled public write access.
#28
Re:De Digitale Rijksbouwmeester? 4 Years, 6 Months ago  
Een Digitale Rijksbouwmeester heeft alleen zin als er een breed gedragen behoefte aan is. Als die behoefte beperkt wordt tot het beter maken van de overheidsautomatisering dan zal het niet lukken. Immers, het draagvlak daarvoor moet het hebben van een parlementair onderzoek (of zoiets) naar de 'ICT chaos van ........'. En ik vrees dat dat leidt tot 'Zwarte Pieten/Rollende Koppen' oplossingen, maar niet tot duurzaamheid.

Wat dan? Er zal een politiek, maatschappelijk en bedrijfskundig gedragen visie geformuleerd moeten worden die twee stappen vooruit denkt. En vervolgens neemt de uitwerking daarvan de duurzame verbeteringen van de overheidsautomatisering als een logisch en noodzakelijk gevolg met zich mee. In samenhang met ontwikkelingen in de hele maatschappij.

Die visie, laten we hem voorlopig 'Digitalisering 2050.nl' noemen, zou de volgende elementen moeten hebben.

1. De alles-doordringende digitalisering van woord, beeld en geluid is een paradigma-verschuiving van een orde-grootte van de industriele revolutie van ruim twee eeuwen geleden. Dit nieuwe paradigma bevindt zich nog maar in de eerste helft van de fasering technologische impuls -> infrastructuur -> business transformatie -> sociale transformatie.

2. Met dit gegeven en met een open mind om te leren van de digitale filevorming, waar overheid en bedrijfsleven meer en meer in verstrikt lijken te raken, kan Nederland een duurzame kerncompetentie van micro en macro-economische schaal verwerven " voor eigen gebruik en voor export.

3. Nederland zou in staat moeten zijn om de menselijke maat daarin centraal te stellen. Een maat over de volle breedte van de mens die werkt, handelt, bestuurt en regeert, met medeneming van de belangrijke invloeden van cultuur, beschaving en zingeving. De Nederlandse poldercultuur kan hierbij als een kracht worden gezien.

Als deze visie, of iets daarbij in de buurt, in s'lands innovatiebeleid zou worden opgenomen, dan is zoiets als een Rijksbouwmeester Digitalisering nodig. En dan komt hij/zij er. Anders niet. Ben ik bang.

Rob Kruijk
 
Logged Logged  
  The administrator has disabled public write access.
#29
Re:De Digitale Rijksbouwmeester? 4 Years, 6 Months ago  
Daan,

Allereerst bedankt voor je uitnodiging om op je stelling en je vragen te reageren vanuit de optiek van risico management, informatiebeveiliging en privacy. Ik heb ter voorbereiding een gesprek gehad met Aaldert Hofman omdat we ons de laatste 10 jaar bezig houden met security architectuur, principes en patterns en dat schept een band .

Na mijn gesprek met Aaldert is mijn conclusie dat je vragen niet zo eenvoudig zijn te beantwoorden omdat die grotendeels afhangen van waar de politiek zich heen beweegt. Om maar even aan te sluiten bij het belang dat Pieter Wisse aangeeft van de civiele informatiekunde. De vraag is hier hoe hoog de politieke lobby dit vraagstuk op de agenda kan wil zetten. Is de prioriteit hoog dan krijgen we vast wel een Rijksinformatiestaat of zelfs een Ministerie van Informatie en telecommunicatie (MIT). Dit geeft de opties: MIT-JA en MIT-NEE.

Op basis van de reactie van Michel Bouten over de "Nota ICT Ordening" kun je jezelf afvragen in hoeverre de overheid andere partijen bij een eventuele visievorming betrekt of vooral eerst zelf haar eigen informatievoorziening (IV) op orde wil krijgen. Dit geeft de opties: IV-MAATSCH en IV-eOVERHEID.

Indien we bovenstaande opties met elkaar combineren dat zijn er vier toekomstige werelden denkbaar:

1) MIT-JA en IV-MAATSCH  De cyberwereld staat centraal in de maatschappij

2) MIT-JA en en IV-eOVERHEID  De overheid neemt deel aan de cyberwereld

3) MIT-NEE en IV-MAATSCH  Cyberpolderen is verheven tot kunst

4) MIT-NEE en IV-eOVERHEID  Duizend cyberbloemetjes bloeien in de wei

Vanuit het perspectief van de burger zijn vooral twee zaken van belang: In hoeverre vertrouwd de burger de dienstverlening van de overheid en in hoeverre wordt de privacy van de burger serieus genomen. Het bedrijfsleven is vooral geinteresseerd in een verlaging van de administratieve lasten in haar communicatie over en weer met de overheid en heeft behoefte aan een moderne, veilige en snelle infrastructuur die het bedrijfsleven in staat stelt om zaken te doen met de overheid en andere partijen.

Ik zal nu proberen je vragen te beantwoorden op basis van de bovenstaande vier (mogelijk) toekomstige werelden en mij zo veel mogelijk richten op risico management, informatiebeveiliging en privacy. (Waarbij ik de lezers van dit forum uitdaag om aan te geven in welke van de vier werelden we nu leven....).

Ad 1) De cyberwereld staat centraal in de maatschappij
Het Ministerie van Informatie en Telecommunicatie heeft Directoraten Generaal (DG's) voor Strategie&Innovatie, Beleid&Architectuur, Risico Management&Privacy, Telecommunicatie en Informatievoorziening
In deze wereld is er plaats voor een Rijksbouwmeester. De Minister van Informatie en Telecommunicatie heeft een Corporate Information Officer (CIO)-rol binnen het kabinet. De Rijksbouwmeester (DG Architectuur) heeft een leidende positie binnen dit geheel met een eigen budget en mandaat.

De Rijksbouwmeester wordt zwaar ondersteund door de DG Risico Management&Privacy. De leider van deze DG heeft op nationaal niveau een Corporate Information Security (en privacy) Officer (CISO)-rol.

De burger heeft veel vertrouwen in de overheid en wordt actief betrokken bij de "Nota ICT Ordening" ook de privacy is goed geregeld vanwege de sterke invloed van de DG Risico Management&Privacy.

Het bedrijfsleven is erg gelukkig omdat zij ook actief wordt betrokken bij de Nota ICT Ordening, de nationale ICT-infrastructuur draait als een zonnetje en ook de administratieve lasten zijn laag. Er wordt veel geld geinvesteerd in het nationale security onderzoeksprogramma http://www.sentinels.nl. Dit onderzoeksprogramma werkt ook actief samen met universiteiten voor civiele informatiekunde.

De overheid is een grote aanjager van een veiliger Internet zoals staat beschreven in de expertbrief "Economische prikkels voor beveiliging" die binnenkort wordt gepubliceerd op: http://www.ibpedia.nl/index.php? _title_=Point_Of_Views

Ad 2) De overheid neemt deel aan de cyberwereld
Er is geen Ministerie van Informatie en Telecommunicatie maar wel een Rijksinformatiestaat. Binnen de Rijksinformatiestaat zijn er o.a. de directies Strategie&Innovatie en Beleid&Architectuur. Er is nog steeds sprake van een Rijksbouwmeester maar deze heeft minder mandaat en is alleen gericht op de informatievoorziening van de overheid. Deze bouwmeester wordt bijgestaan door een team van architecten waaronder een security architect.

De burger heeft veel vertrouwen in de overheid aangaande de informatiebeveiliging maar vraagt zich af of de privacy voldoende is gewaarborgd vanwege het grote aantal koppelingen tussen overheidsorganisaties op basis van het BSN. Het bedrijfsleven is redelijk tevreden over de stabiliteit van de infrastructuur en behoorlijk tevreden over de verlaging van de administratieve lasten. De elektronische koppelingen tussen het bedrijfsleven en de overheid verlopen vlekkeloos. Op basis van de notitie "Veilig Verboden" van het ICT Innovation Platform (http://www.nvso.nl/VeiligVerbonden%20-% 20May2007.pdf) is er veel onderzoek verricht en zijn er concrete resultaten geboekt in alle marktsectoren.

De Rijksbouwmeester heeft de expertbrief, "Security Principes: Informatiebeveiliging op de management agenda" (http://www.ibpedia.nl/index.php? _title_=Point_Of_Views) goed gelezen en zorgt er voor de security principes op alle niveau zijn vastgesteld en doorgevoerd.

Ad 3) Cyberpolderen is verheven tot kunst
De overheid doet haar best om een "Nota ICT Ordening" tot stand te brengen. Hiervoor wordt een taskforce in het leven geroepen en er is een actieve community die via het Internet reacties geeft op deze nota. Er is geen Ministerie van Informatie en Telecommunicatie en ook geen Rijksinformatiestaat. Het instellen van een Rijksbouwmeester heeft weinig nut omdat het hier ontbreekt aan de "boven architectuur".

Via een actieve Community binnen en buiten de overheid wordt de NORA en de MARIJ verder aangescherpt en krijgen deze referentiearchitecturen een duidelijke plaats binnen de "Nota ICT Ordening". Er is veel aandacht voor IT-Governance en op basis van de inzichten van de expertbrief "Projectmanagement en informatiebeveiliging: de onmogelijke combinatie?" (http://www.gvib.nl/afy_info_ID_1338.htm) worden IT-projecten door de overheid goed voorbereid en aangestuurd.

Burgers hebben voldoende trust in informatiebeveiliging en zijn redelijk tevreden over de waarborging van hun privacy. Het bedrijfsleven is niet zo tevreden omdat vernieuwing erg lang op zich laten wachten. Cybercrime wordt door de overheid goed in de gaten gehouden maar de overheid en financiele instellingen vragen zich af hoe lang ze het nog kunnen droog houden.

Ad 4) Duizend cyberbloemetjes bloeien in de wei
Binnen deze wereld is het motto: "vrijheid blijheid". Er is een maximale lokale autonomie van de informatievoorziening bij de overheid op basis van het aloude principe "strong binding and weak coupling". De architectuur principes uit de NORA en de MARIJ worden collectief genegeerd. De ICTU en de GBO Overheid worden opgeheven omdat toch iedereen zijn eigen gang gaat.

Het BSN is volledig publiek (strong binding). Maar de beveiliging van de attributen behorende bij het BSN zijn via SOA en Jericho principes sterk beveiligd met private credentials (http://cypherspace.org/credlib/brands- de_script_ion.pdf).

Er is een enorme opleving in termen van innovatieve ideeen en open source oplossingen. Via open standaarden koppelen overheidsorganisaties hun informatievoorziening aan elkaar alleen begrijpt niemand waarom het werkt en hoelang het nog werkt.

De overheid probeert wel via allerlei stimuleringsregelingen de innovatie in de maatschappij te bevorderen. Er zijn ook allerlei kleine bedrijfjes die hierop inspelen. De trustproviders zitten niet in Nederland maar in het buitenland.

De burger heeft weinig vertrouwen in de overheid omdat er diverse grote incidenten zijn geweest op het vlak van de eGovernment. De overheid heeft geen eenduidig beeld van de burger.

De grote bedrijven in Nederland die haken af en zoeken hun heil in het buitenland. Kleine bedrijven proberen te profiteren van de vele innovatieve oplossingen waar zij zelf soms aan bijdragen.

De belangrijkste productiefactor is een web 2.0 achtige (sociale productie). Er wordt veel onderzoek gedaan door universiteiten om deze nieuwe maatschappelijke ordening in goede banen te leiden. De privacy van de burger is verdwenen omdat zijn levenswijze volledig is geintegreerd met het Internet.

De overheid, het bedrijfsleven en het onderwijs participeren maximaal in het Platform voor Informatiebeveiliging (http://www.pvib.nl) waardoor deze vereniging groeit van 1000 naar 10.000 leden. Het PvIB orienteert zich via de hitlijsten van http://www.ibpedia.nl om te bepalen met welke internationale organisaties er het beste kan worden samengewerkt.

Ook de sites van wijvertrouwenstemcomputersniet (incidenten) en ECP.nl, consumentenbond, vakbonden en VNO-NCW (structureel) worden veel via het Internet geraadpleegd.

Ben Elsinga " De Meern
 
Logged Logged  
  The administrator has disabled public write access.
#30
Re:De Digitale Rijksbouwmeester? 4 Years, 6 Months ago  
De opties die Ben Elsinga schetst (31 juli 2007), noem ik hier scenario's. Daarmee wil ik graag benadrukken dat zijn benadering volgens mij uiterst vruchtbaar is. Ik beschouw die bijdrage als een aanzet die uitnodigt tot verduidelijking. Daarom heb ik enige opmerkingen.
Allereerst geef ik de structuur van Elsinga's aanzet in mijn eigen woorden weer. Heb ik uberhaupt zijn aannames wel goed begrepen?
Ik verwijs opzettelijk naar structuur, omdat Elsinga naar mijn idee een schoolvoorbeeld van zgn structuralisme biedt. Want hij kiest orthogonale dimensies. Voor zijn doel zijn dat er twee. De ene dimensie vertegenwoordigt de mate van beleidsbemoeienis door de overheid met de informatiemaatschappij. En de andere dimensie staat voor hoe ver de overheid gaat met feitelijke inrichting van informatievoorziening.
Vervolgens poneert Elsinga twee waarden langs elke dimensie. Tekent u even mee? Voor beleidsbemoeienis bestaat 1. wel een ministerie of 2. geen ministerie. En de inrichtingsbemoeienis van de overheid strekt zich uit tot 1. de maatschappij of 2. de overheid(sinstellingen) zelf. Dat levert een 2x2-matrix op. Voila, er zijn vier elementen die evenzovele scenario's voorstellen.
De structuralistische opzet om scenario's te genereren werkt optimaal, indien de dimensies in kwestie inderdaad nodig en voldoende orthogonaal zijn. Maar mijn indruk is dat Elsinga wat te vlot over een politieke afhankelijkheid heenstapt. Zolang de overheid haar inrichtingsbemoeienis tot haar eigen instellingen beperkt houdt, heeft een ministerie terzake geen realiteitsgehalte. Als zodanig bestaat dat ene matrixelement dus niet. Dat bevestigt Elsinga overigens reeds in zijn eigen toelichting op die tweede optie volgens zijn schema. Daarin vervangt hij het ministerie door een Rijksinformatiestaat.
Natuurlijk ben ik ervoor erkentelijk, dat Elsinga de aanduiding Rijksinformatiestaat gebruikt. Ik bedoel er echter iets heel anders mee (14 juni 2007), dan hij er voor zijn schets van maakt. Zoals Rijkswaterstaat nadrukkelijk een maatschappelijke orientatie kent, zie ik dat ook voor een eventuele Rijksinformatiestaat. Volgens Elsinga zou een Rijksinformatiestaat daarentegen "alleen gericht [zijn] op de informatievoorziening van de overheid." Die betekenis kan hij er uiteraard aan geven, maar de reele vergelijking met Rijkswaterstaat gaat daardoor verloren.
Op de aanname van inrichtingsbemoeienis die strikt beperkt blijft tot overheid zelf, heb ik eveneens fundamentele kritiek. Dat kan principieel niet. Naar haar aard is een overheidsinstelling deelnemer aan interacties waaraan tevens burgers en/of bedrijven deelnemen. Elke deelnemer beschikt voor zijn informatieverkeer zowel over eigen voorzieningen, als maakt gebruik van gemeenschappelijke voorzieningen. De verhouding ertussen betreft nu net de opgave voor civiele informatiekunde. Zie ook verderop voor principieel onderscheid tussen infrastructuur en verkeer. Slechts in autarkie is het aandeel van gemeenschappelijke voorzieningen, ofwel infrastructuur, nihil. Maar een autarke overheid(sinstelling) behoort een tegenstrijdigheid te zijn.
Ik vind het een van de verdiensten van Elsinga's schema dat het aldus opmerkzaam helpt maken op dergelijke samenhang. Zijn aanzet suggereert tevens, dat onbegrepen samenhang leidt tot averechtse maatregelen. De illusie van aparte overheidsinformatievoorziening vormt de aanleiding tot gescheiden inrichtingsbestuur ervoor. Al dan niet bewust geldt zulke geforceerde apartheid eveneens als reden, een valse dus, dat politici zich blijven onthouden van beleidsbemoeienis, op een serieuze manier dus, op de schaal van de gehele informatiemaatschappij.
Door besef van moderne interconnectiviteit zijn toekomstig slechts het eerste en derde scenario van Elsinga reeel. Zij gaan immers allebei uit van maatschappelijk bereik voor de visie op informatieverkeer. Het onderscheid dat Elsinga maakt voor de bestuursvorm, wel of geen ministerie, acht ik van ondergeschikt belang. Wat mij betreft schuiven scenario's 1 en 3 daarom ineen. Dat is niet toevallig precies wat ook Bouten (24 juni 2007) beweert, nog afgezien van mijn eigen opvatting sinds jaren. Dankzij Elsinga's oefening met scenario's valt alweer scherper te verklaren, waarom vroeg of laat juist dat scenario feitelijk moet tellen. Tevens toont hij het noodlot, te weten dat voorlopig helaas die andere scenario's voorkeur krijgen. Politici, bestuurders en (hogere) ambtenaren blijken thans in groten getale doof en blind voor reele afhankelijkheids- dus infrastructuurargumenten voor maatschappelijk informatieverkeer. Daarbij helpt het natuurlijk evenmin dat bij de meeste informatiekundigen het besef, zachtjes uitgedrukt, nog totaal ontbreekt dat zij voor opgaven van een nieuwe, kwalitatief andere orde staan. Ik ben gelukkig met Elsinga's steun voor "universiteiten voor civiele informatiekunde."
Herhaaldelijk heb ik gewezen op de noodzaak van een paradigmasprong. Het probleem met voorlichting over zo'n sprong is principieel, dat de noodzaak ervan pas redelijkerwijs herkenbaar is voor wie hem succesvol waagde. Volgens het civiele paradigma vormt een organisatie dan niet langer het impliciete kader. Want op maatschappelijke schaal zijn er uiteraard talloze organisaties. Die organisaties vormen daar vervolgens ook maar een gedeelte van alle deelnemers aan (informatie)verkeer.
Vanuit zulk verruimend perspectief is onderscheid pas scherp herkenbaar tussen enerzijds infrastructuur, anderzijds het verkeer dat erover beweegt. Zolang informatieverkeer gebeurt , althans, indien besluitvormers nog menen dat het zo gaat; is dat ijdelheid? , binnen een en dezelfde organisatie, valt alles onder enkelvoudig gezag. Die grove misvatting belemmert productieve oplossing van problemen en, erger nog, laat kansen onbenut.
Nota bene, het onderscheid tussen infrastructuur en verkeer maakt het mogelijk dienovereenkomstig afwijkende gezagsverhoudingen erop van toepassing te verklaren. Het is de nieuwe schaal waarop informatieverkeer gebeurt, waarom ontkoppeling nodig is.
Het civiele paradigma verschaft trouwens ook een criterium dat mislukking van grootschalige informatievoorziening simpel voorspelt. Op zulke schaal lukt het nooit zonder formeel onderscheid volgens infrastructuur, respectievelijk informatieverkeer dat erover verloopt.
De (maatschappelijke) infrastructuur voor informatieverkeer is de onvervreemdbare overheidsverantwoordelijkheid en -taak. Gevarieerde verkeersdeelname moet daarentegen verantwoordelijkheid van elke aparte deelnemer zijn.
Een overheidsinstelling is ook deelnemer aan informatieverkeer. Dat betreft principieel een andere verantwoordelijkheid dan overheidsbemoeienis met infrastructuur. Ontwerp, ontwikkeling en beheer van infrastructuur moeten ge_base_erd zijn op voortschrijdende visie op informatiemaatschappij. Het lijkt me zeker in dit stadium onverstandig om de noodzaak van die visie te verbinden aan oprichting van een dienovereenkomstig ministerie. In de praktijk blijkt een aparte (taak)organisatie vaak eerder een belemmering dan een voorwaarde voor coordinatie. Laten we eerst eens kijken of het lukt volgens de nota die Bouten voorstelt.
Tenslotte erken ik graag dat Elsinga ook belangrijke aanwijzingen verschaft voor ondermeer informatiebeveiliging en privacy. Daarover juich ik diepe en brede discussie toe. Hier merk ik in het algemeen slechts kortweg op, dat juist formeel onderscheid volgens infrastructuur en informatieverkeer het vertrouwen van verkeersdeelnemers sterk bevordert.
 
Logged Logged  
  The administrator has disabled public write access.
#31
Re:De Digitale Rijksbouwmeester? 4 Years, 6 Months ago  
ICT kan worden gezien als een spiegel van de echte wereld. De complexiteit van de mensenwereld en die van de geautomatiseerde wereld kunnen niet los van elkaar worden gezien.

Het maken van ICT oplossingen bevindt zich in mijn optiek filosofisch gezien in de handelingsfilosofische kant van de filosofie. Het gebied waar meningen divergeren. Er is geen convergerende oplossing. Het is al ingewikkeld om te komen tot een convergerende begripsvorming van het gebied waarover een ICT oplossing zou moeten gaan. Hiervoor is het nodig dat de informaticus werkelijke en diepgaande interesse opbrengt voor de wereld van de klant. Tevens is het van belang dat de klant begrijpt wat automatiseren betekent.

Immers, alles wat we automatiseren, dat wil zeggen, machinaal maken, krijgt een "mineraal" karakter, terwijl de mensenwereld wereld "vloeibaar" is. Machines hebben hun eigen interne logica en mogen niet buiten hun beoogde domein worden ingezet, omdat ze weinig tot geen aanpassingsvermogen hebben. Mensen zullen op dit gebied wijsheid moeten ontwikkelen.

Past een digitale rijksbouwmeester in de cultuur van de Nederlands overheid? Ik twijfel eraan of een zo'n "dictatoriaal" concept gaat werken. Een rijkskeuringsdienst voor digitale bouwwerken zou wellicht wel kunnen werken. Deze keuringsdienst zou eerder in verbods-, dan in gebodstermen moeten werken, omdat dat de autonomiteit van de overheidsinstanties en betrokken mensen bij het scheppen van automatiseringsoplossingen waarborgt. Daarbij is het overigens oppassen dat zo'n rijkskeuringsdienst niet vervalt tot een procedureel stempeltje. Voor zo'n soort "audit" stempeltje is het al mogelijk om bepaalde organisaties in te huren.

De roep om "kleiner" die ik uit de oproep voor de digitale rijksbouwmeester lees onderschrijf ik. Met een klein aantal mensen is beter schakelen in het proces van begripvorming en maken van een ICT oplossing dan met een groot aantal mensen. Vooral, omdat de meningen over de juiste oplossingen en afbakeningen over het algemeen divergeren. Vanuit de optiek van de ontwikkeling van de mensheid is het echter weer logisch en mogelijk gewenst, dat zoveel mensen zich met het scheppen van ICT oplossingen bemoeien. Dit zou op den duur moeten leiden tot algehele vergroting van wijsheid t.a.v. het ontwikkelen van ICT oplossingen.

Hans Oesterholt-Dijkema
Ir Informatica, Be Value
Menselijke Maat Werkgroep, http://www.it4humans.org
 
Logged Logged  
  The administrator has disabled public write access.
#32
Re:De Digitale Rijksbouwmeester? 4 Years, 6 Months ago  
Een mogelijke manier om dit probleem te analyseren is volgens de theorie van de specificatie hierarchieen. Volgens deze theorie is elk systeem gespecificeerd volgens eigenschappen welke in een hierarchische manier met elkaar samenhangen.

Als we als hierarchische indeling bijvoorbeeld de hierarchie in de wetenschappelijke disciplines nemen (zie bijvoorbeeld Richard L. Coren: "The Evolutionairy Trajectory" en Max Pettersson: "Complexity and Evolution") dan kunnen we de specificatie van een digitaal systeem als volgt weergeven: {fysisch{chemisch{biologisch{sociaal{politiek{econ omisch{digitaal}}}}}}

De betekenis van deze notatie is dat een binnenliggend niveau alle eigenschappen van een buitenliggend niveau erft. Bijvoorbeeld: Alle digitale systemen moeten fysisch geimplementeerd worden met materiele middelen, door mensen (bologische systemen) binnen de grenzen van sociale normen en waarden, politieke / juridische kaders en economische principes.

Nu zijn deze bovenstaande randovoorwaarden voor een digitaal systeem erg breed en we kunnen de randvoorwaarden wat meer operationele handen en voeten geven met bijvoorbeeld de invulling van het bovenstaande model met de principes van complexe systemen, zie bijvoorbeeld de URL http://www.necsi.org.

Als we deze redenering volgen, dan kom ik tot de conclusie dat ik vindt dat het digitale niveau ingericht zou moeten worden volgens de statistische evolutie wetten, binnen de randvoorwaarden van de relevante wetenschappelijke disciplines gemodelleerd als een complex systeem.

Ik ben er dus op tegen dat de invulling van de digitale ruimte te veel geregiseerd wordt door een Digitale Rijksbouwmeester. Ik zie de inrichting van de digitale ruimte meer als een evolutionair proces volgens de wetten van Darwin waarin alle niches binnen het digitale ecosysteem ingevuld worden door grote en kleine niche spelers binnen de randvoorwaarden van de relevante wetenschappelijke disciplines volgens het specificatie hierarchie model zoals hierboven gegeven.

Dus om een antwoord te geven op de vraag: "Heeft de overheid een Digitale Rijksbouwmeester nodig als een soort Overall Enterprise Architect", dan is volgens deze redenering het logische antwoord: Nee.

Daarmee vervalt tegelijkertijd de relevantie van de vervolgvragen en ik denk dat het voldoende is dat de randvoorwaarden waaronder alle niches van het digitale ecosysteem ingevuld moeten worden voldoende in de gaten gehouden worden.
 
Logged Logged  
  The administrator has disabled public write access.
Go to top Post Reply
Get the latest posts directly to your desktop -> get the latest posts directly to your desktop