|
De forumdiscussie over de Digitale Rijksbouwmeester vind ik tot dusver ... eigenlijk geen discussie. Met zijn bijdrage van 22 juli 2007 noemt Rijsenbrij "de verschillende reacties op zijn statement voor een digitale Rijksbouwmeester [...] zeer interessant." Dat k_link_t reuze vriendelijk. Op zijn beurt komt hij echter niet met een vervolgreactie. Daarentegen doet Rijsenbrij "even een stapje terug." Laat ik op mijn beurt hier allereerst terugblikken op Rijsenbrij's aanzet (13 juni 2007). Daarin suggereert hij "een aantal vragen [...]waarover in dit forum van gedachten gewisseld kan worden." Zijn laatste van acht vragen is naar "een betere naamgeving voor een dergelijke functionaris." Ik ben het ermee eens dat, zoals Rijsenbrij nu stelt, "het niet belangrijk [is] hoe deze functionaris gaat heten." Maar ik ben dus benieuwd naar zijn reden. Op vergelijkbare manier acht hij "zijn/haar takenpakket" thans van ondergeschikt belang voor discussie. Ook dat meen ik allang, terwijl de meeste vragen die Rijsenbrij oorspronkelijk opgaf daarop betrekking hebben (2. organisatorische positie, 3. taken en bevoegdheden, 4. verantwoordingsrelatie en 5. controle op functievervulling). Maar ondanks zijn verklaring dat dergelijke vragen in dit stadium "niet belangrijk" zijn, handhaaft Rijsenbrij de simplistische veronderstelling van een functionaris als regisseur. Let op het uitroepteken als hij stelt: "Er is een overall regie nodig bij de automatisering van de overheid en de samenleving in haar geheel!" In de zin die er direct op volgt, verwijst Rijsenbrij naar een "debat van minister Guusje ter Horst, minister van Binnenlandse Zaken, met de Tweede Kamer [waarin] werd gesteld dat er centrale regie moet komen bij overheidsautomatisering." Zoals ik het daar lees, verbindt hij aan die oproep tot centrale regie onverminderd "in zijn terminologie een Digitale Rijksbouwmeester met verdergaande bevoegdheden dan de Fysieke Rijksbouwmeester, Mels Crouwels." Maar wat regisseert die functionaris? Je kunt pas "even een stapje terug" zetten, nadat je vooruit stapte. Weliswaar vind Rijsenbrij "de verschillende reacties [...] zeer interessant," maar heeft hij ze wel goed laten doordringen? Zoals ik eerder nadrukkelijk deed (14 juni 2007), gaf Bouten in zijn bijdrage (24 juni 2007) aan dat overheidsinformatievoorziening niet verward mag zijn met de plaats van de overheid in "de gehele maatschappij." Dankzij het verruimend perspectief is er sprake van infrastructuur voor informatieverkeer. Natuurlijk, juist infrastructuur vergt regie. Maar ook juist omdat het infrastructuur betreft, is het onzin om daarvoor een functionaris aan te (willen) wijzen. Sterker nog, de belanggedreven, dus wezenlijke politieke besturing (modern: governance) moet integraal onderdeel vormen van de infrastructuur in kwestie. De verkenning van maatschappelijk evenwichtige inrichting komt ondermeer tot uitdrukking in ordeningsnota's. Dat is precies de reden dat Bouten pleit voor een nota over, wat ik graag noem, informatieverkeer in publiek domein. Voorts houd ik een pleidooi voor een passende discipline: civiele informatiekunde. Rijsenbrij gaat er met geen woord op in. Komt dat nog? Vooralsnog moeten we het doen met "een kleine anekdote uit zijn inaugurele rede." Rijsenbrij's voorbeeld van de stedelijke herinrichting van Parijs is op z'n zachtst gezegd onfortuinlijk. (Of heet dat tegenwoordig juist fortuynlijk?) Blijkbaar vormde het gepeupel een bedreiging voor het gezag. Met grotere afstand tussen gebouwen werd (stads)guerrilla een stuk lastiger; de vorst behield de macht. Afgezien van hoe wij thans het resultaat als cultureel erfgoed waarderen, nee, die aanleiding strookt niet met wat ik bepleit als moderne infrastructurele orientatie. Ik neem overigens aan dat er destijds wel degelijk ook andere redenen golden voor de Parijse herbouw dan strikte machtshandhaving door de soeverein. Daartoe behoorde stellig opheffing van verstoppingen in maatschappelijk verkeer. Via het toegespitste gezag lukte het voor Parijs in het midden van de negentiende eeuw nog met een hoofdarchitect met vergaande invloed op gedragsruimte voor inwoners. In democratische(r) verhoudingen is dat een illusie, gelukkig maar.
Post edited by: pewisse, at: 2007/07/26 15:03
|