Teveel van het goede
Denken
in hokjes wordt ons met de paplepel ingegoten. Op school krijg je
verschillende vakken – je bent misschien goed in taal, maar niet zo
goed in rekenen – en hoe verder je onderwijscarrière zich ontwikkelt,
hoe meer je geleid wordt naar een specialistische discipline. En kies
je voor het één, dan sluit dat welhaast automatisch al het andere uit.
Daar komt bij dat specialisten maatschappelijk meestal hoger worden
gewaardeerd dan generalisten – en daar is het onderwijs dan ook
logischerwijs op gericht.
Niet
iedereen is het met die benadering overigens eens. Bijvoorbeeld in de
geneeskunde woedt – mede aangewakkerd door het succes van sommige 'alternatieve',
Oosterse behandelwijzen – al decennia een debat over thema's als
“holistische diagnose” of “integrale geneeskunde”. Er wordt dan
bijvoorbeeld gepleit om bij de diagnose van een patiënt het lichaam
meer als een eenheid in interactie met zijn omgeving te zien. Bij een
“ziekte” zou er eerder gedacht moeten worden in termen van een
verstoorde balans, dan van een specifiek orgaan dat niet optimaal
functioneert. Dat is bijvoorbeeld ook de grondgedachte van de Ayurveda,
“het enige niet-allopathische [1] geneeskunde systeem [...] dat door de
Wereld Gezondheid Organisatie als een volledig geaccepteerd
gezondheidssysteem erkend [is]” [2]. Het gaat in dit systeem niet
zozeer om het “bestrijden van symptomen”, maar juist om het “genezen”
en “voorkomen” van ziekten. Dat dit soort denken inmiddels in brede
lagen van de westerse bevolking op een warme belangstelling kan rekenen
blijkt bijvoorbeeld ook uit het succes van een TV-serie als House – de
laatste 'allopathische' hoop voor patiënten die door reguliere artsen
niet te helpen zijn.
In
onderwijskundige kringen is een vergelijkbaar thema aan de orde. Er
wordt hier al jarenlang gediscussieerd over het thema “inclusief
denken”. De term dateert al uit 1966 [3], maar het gedachtengoed leeft
nog steeds. Er is tegenwoordig zelfs een weblog dat zo heet. Inclusief denken
gaat in zekere zin ook over het over grenzen heen durven denken. Niet
alleen je individuele belangen nastreven, of die van de groep waartoe
je behoort, maar juist ook van de ander. Niet antagonistisch, maar
consensualistisch. Geen concurrentie, maar samenwerking.
Ik
ben geneigd om het grensoverstijgend denken als een kernkwaliteit van
archITecten te beschouwen. Of je het nu “integrerend”, “holistisch”,
“inclusief” of “consensualistisch” noemt, het gaat in alle gevallen om
het overbruggen van – al dan niet schijnbare – tegenstellingen, om het
verder denken dan de eigen voordeur en om het verbanden leggen die
anderen niet zo snel zien. Uit de wetenschap is bekend dat er veel
doorbraken zijn bereikt door kennis en technieken uit een discipline in
een andere discipline toe te passen. Dat zou op z'n minst te denken
moeten geven. Grensoverstijgende denkers zouden op hun eigen
werkterrein misschien wel heel goed in staat kunnen zijn om doorbraken
tot stand te brengen.
Er is ook een
natuurlijke tegenhanger van het grensoverstijgend denken – het
“exclusief” denken. Exclusieve denkers zijn voornamelijk met hun eigen
zaken bezig, of die van hun groep, en tonen typisch weinig sympathie
voor 'anderen'. Ze zijn vaak scherp gefocussed, sterk territoriaal
ingesteld en bijzonder competitief aangelegd. Dat zijn precies de
kenmerken van dominantie die maatschappelijk vaak zo gewaardeerd
worden. Je vindt exclusieve denkers dan ook met name bij captains of
industry, militaire en politieke leiders. Ze worden vaak getypeerd als
'vechters', ze lijken soms wel te genieten van conflicten en zijn
geneigd te stellen dat het doel zo'n beetje alle middelen heiligt. Ze
worden geroemd om hun 'daadkracht'. In alle opzichten zijn ze de
tegenpool van de grensoverstijgende denkers.
Zo'n exclusieve mindset
kan ook doorslaan – je kunt over-exclusief zijn. Psychologen hebben het
dan over sociopatisch gedrag. Er vallen dan kwalificaties als
'gewetenloos', 'impulsief' en 'meedogenloos' [4]. Het interessante is
dat slimme sociopaten in het dagelijks leven heel goed in staat zijn om
de extreme kantjes van hun karaktertrekken te maskeren. Ze zijn van
nature charmant en hebben geleerd om zich precies te gedragen zoals van
een sterke leider wordt verwacht. En juist daardoor vallen ze niet zo
gemakkelijk door de mand.
“How
do we recognize the remorseless? One of their chief characteristics is
a kind of glow or charisma that makes sociopaths more charming or
interesting than the other people around them. They’re more
spontaneous, more intense, more complex, or even sexier than everyone
else, making them tricky to identify and leaving us easily seduced.
Fundamentally, sociopaths are different because they cannot love.
Sociopaths learn early on to show sham emotion, but underneath they are
indifferent to others’ suffering. They live to dominate and thrill to
win.” [5]
Het hoeft dus geen
verbazing te wekken dat er nogal wat historische figuren voorkomen op
de lijstjes met beroemde sociopaten. Mensen als Napoleon, Hitler en
McCarthy, om er maar een paar te noemen. Die lijst kun je – al naar
gelang je politieke voorkeur – moeiteloos uitbreiden met omstreden
machthebbers [6], maar ook met oorlogsmisdadigers, seriemoordenaars,
sekteleiders en directieleden die in hun ijver tot excessieve
zelfverrijking hun eigen bedrijf ten gronde hebben gericht. Ik denk wel
eens dat het juist omdat de kwaliteiten die het exclusieve denken
kenmerken in een zo hoog aanzien staan, het sociopaten – die immers
extreem exclusief denken – extra gemakkelijk wordt gemaakt om grote
groepen mensen te domineren, te manipuleren en uiteindelijk te duperen.
Net
zo goed als je het in beginsel positieve 'exclusieve' denken kunt
overdrijven, kun je ook het in beginsel positieve 'inclusieve' denken
overdrijven. Je kunt dus over-inclusief zijn in je denken en je
handelen. Overal rekening mee willen houden, ook al heeft het maar
zijdelings met het probleemdomein te maken. Ook over-inclusief denken
is grappig genoeg een bekend psychopathologisch symptoom, namelijk van
schizofrenie, met als voornaamste kenmerk “unability to perserve
conceptual boundaries” [7].
Maar
levert dat 'teveel-van-het-goede' dan geen akelige paradox op? Zou het
dan zo zijn, dat een architect die erg goed is in zijn vak, die heel
grensoverstijgend kan denken, die de meest netelige problemen weet te
doorgronden en die in zijn ontwerpen echt rekening weet te houden met
alle stakeholders, per definitie, eh, gestoord is?
De uitweg
We
kennen uit de literatuur het anti-patroon “Analysis Paralysis” [8]. Dit
patroon beschrijft de verlammende werking van het eindeloos blijven
zoeken naar een betere oplossing. Iedereen voelt wel aan dat dit
uiteindelijk zijn doel voorbij schiet, maar 'exclusieve' denkers zijn
er ronduit allergisch voor. Die willen restultaten zien. En wel nu!
Het
Analysis Paralysis anti-patroon leert dat je resultaten ook
incrementeel kunt boeken, om zo het betere niet de vijand van het goede
te laten zijn. Een 'goede' architect kan net zo goed alvast een paar
stappen vooruit denken, zonder dat hij daar zijn omgeving nodeloos mee
lastig valt. Je kunt ook – desnoods in het geniep – gewoon rekening
houden met bepaalde concerns zonder dat je daarover in
discussie gaat. Dat heet dan goed vakmanschap. Natuurlijk kom je daar
niet altijd mee weg, zeker niet als het een grote impact heeft op de
business case, maar je kunt op deze manier wel vaak veel meer bereiken
dan je in eerste instantie zou denken.
Het
kan ook geen kwaad om goed na te denken over welke discussie je met wie
wilt voeren. Hoe zeer je ook twijfelt over de validiteit van een
ontwerpprincipe voor jouw probleemsituatie, of de kwaliteit van de
ontwerptools, of het nut van reviews – voer zo'n discussie liefst met
collega architecten en vooral niet met een projectmanager of je
opdrachtgever.
Het valt ook voor
een inclusief denker best te begrijpen dat er maar weinig betrokkenen
blij worden van een mededeling dat “alle voorgenomen keuzes nog niet
vaststaan, omdat ze eerst nog met andere partijen besproken moeten
worden” – hoe waar dat op zichzelf misschien ook is. Natuurlijk moet je
vaak van alles overleggen met ketenpartners, andere afdelingen,
toezichthouders, beheerders, eigenaren van bestaande services of
leveranciers. Maar je zou in zo'n geval gewoon ook kunnen zeggen dat er
nog meer partijen betrokken zijn, om daar meteen aan toe te voegen:
“maar maak je daarover maar geen zorgen, dat regel ik wel met ze”.
Kijk, dat is nou iets wat een exclusieve denker graag wil horen.
Het
is trouwens ook niet sterk om dat soort zaken wel ondershands met die
partijen te regelen, maar daarover, in een poging om er verder maar
niemand mee lastig te vallen, helemaal niks te melden. Je loopt dan
niet alleen het krediet mis dat je wel verdient, je loopt ook het
gevaar dat men zich gaat afvragen waar je nou eigenlijk zo druk mee
bezig bent. En, erger nog, je kunt heel wat mensen in verlegenheid
brengen als er plotsklaps blijkt dat je iets om welke reden dan ook
niet hebt kunnen regelen. In zo'n geval kan je op onbegrip stuiten,
terwijl je juist zo hard steun nodig hebt.
De
moraal van dit verhaal? Een inclusief denker kán ook in een exclusief
denkende omgeving wel degelijk zeer gewaardeerd worden. Als hij of zij
tenminste maar zo slim is om inclusief te denken en tegelijkertijd
exclusief te communiceren.
In deze paradox worden algemeen aanvaarde best practices ter discussie gesteld. Het is de 5de in een reeks 'uncommon sense' die op mijn weblog ArchitectuurBedrijven gepubliceerd is.
Noten
[1] Allopathie is de in homeopathische kringen gebruikte term voor reguliere geneeskunde.
[2] Zie: http://www.ayurvedicstudies.nl/ayurveda/artikelen/assets/Introductie%20Ayurveda.pdf
[3] Feitse Boerwinkel: “Inclusief Denken, een andere tijd vraagt een ander denken”; Paul Brand, Bussum, 1966.
[4] In de gezaghebbende 'Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-IV-TR)
wordt voor een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis als criterium
gehanteerd dat iemand tenminste drie van de volgende zeven
gedragskenmerken moet hebben:
“ 1.
failure to conform to social norms with respect to lawful behaviors as
indicated by repeatedly performing acts that are grounds for arrest
2. deceitfulness, as indicated by repeated lying, use of aliases, or conning others for personal profit or pleasure
3. impulsivity or failure to plan ahead
4. aggressiveness, as indicated by repeated physical fights or assaults
5. reckless disregard for safety of self or others
6. consistent irresponsibility
7. lack of remorse, as indicated by being indifferent to or rationalizing having hurt, mistreated, or stolen from another”
Een alternatieve, meer populaire opsomming kun je vinden op Profile of the Sociopath.
[5] Martha Stout: “The Sociopath next door – The Ruthless Versus the Rest of Us”; Broadway Books, February 2005, Synopsis.
[6]
Er wordt aangenomen dat sociopathie in zekere mate erfelijk is. Zo zou
George W. Bush volgens een propagandistische, maar goed gedocumenteerde
website de vierde patient in de erflijn zijn.
[7]
Andrew Sims: “Symptoms in the mind – an introduction to descriptive
psychopathology”; Saunders Ltd.; 4 edition (April 21, 2008), p. 160.
[8]
William J. Brown et al: Anti Patterns – Refactoring Software,
Architectures, and Projects in Crisis”; John Wiley & Sons, 1998, p.
215 e.v.
Geplaatst door
Hans Bot
op
18:20
Only registered users can write comments. Please login or register.
|