|
Er zijn
veel argumenten aan te voeren die voor de stelling pleiten dat architecten zich niet met details moeten bemoeien.
Architectuur gaat tenslotte om fundamentele ontwerpkeuzes die niet, of
heel moeilijk achteraf te wijzigen zijn. Allerlei meer oppervlakkige
ontwerpkeuzes zijn achteraf altijd nog makkelijk te wijzigen. Een
lelijk behangetje vervang je nou eenmaal makkelijker dan een rottende
heipaal. En dankzij de moderne technologie, met zaken als business
rules, business process management systemen, enterprise service bussen
en portals, komen er steeds meer mogelijkheden om het gedrag van
applicaties run-time aan te passen aan wijzigende behoeften. Met als
logisch gevolg dat architecten zich steeds minder met functionaliteit
en steeds meer met ‘agile technology’ bezighouden.
Tegelijkertijd
het is een algemeen erkende valkuil dat de architect die zich verliest
in een moeras van details als de opper-nerd ervaren wordt. Een harde
werker, een ongetwijfeld slimme expert, maar onbegrepen, weinig
effectief en al helemaal niet daadkrachtig. Maar het is juist de kern
van de functie van een architect dat hij een waardevolle en
gewaardeerde gesprekspartner voor een opdrachtgever moet zijn. De
gemiddelde opdrachtgever is nou eenmaal meer geïnteresseerd in meetbare
resultaten dan in de onderliggende technologie. Dus architecten moeten
nadrukkelijk bezig zijn met de tastbare effecten van de structurele
aspecten van complexe systeemontwerpen en ze moeten dat op
managementniveau uit kunnen leggen. Daar zijn ze tenminste voor
ingehuurd. Architecten ontlenen op z’n minst een deel van hun waarde
aan het in Jip-en-Janneketaal kunnen vertalen van ingewikkelde verhalen
van specialisten. Ze moeten niet voor niets excellente communicatoren
zijn. Maar is dat alles? Gaat het meer om de presentatie dan om de
inhoud? Zou een goede spindoctor automatisch ook een goede architect zijn?
Microsoft heeft een weinig benijdenswaardige reputatie
opgebouwd als het gaat om het ontwikkelen van gebruikersvriendelijke,
begrijpelijke applicaties en systemen. Er zijn tal van voorbeelden van
– vanuit het perspectief van de gebruiker – volstrekt onlogische
constructies, onbegrijpelijke meldingen en inconsistent of op z’n minst
weerbarstig gedrag. Microsoft is dan ook nog steeds het archetypische
voorbeeld van alles wat er mis is in de digitale wereld. En haast
iedereen kan er uit eigen ervaring over meepraten.
Apple
toont juist aan dat het ook anders kan. Hun laatste ultra-thin client,
de iPod-touch, blinkt volgens vriend en vijand uit door
gebruikersgemak. Het ding heeft vast een operating systeem, maar als
gebruiker merk je daar eigenlijk niets van. Het blijft volledig op de
achtergrond. Toch kun je er ondermeer mee browsen, mailen, YouTube
filmpjes bekijken, je eigen foto’s, video’s en muziek meenemen en
afspelen, je aandelenportefeuille monitoren en routes plannen. Het
apparaatje is niet meer dan 8mm dik, heeft een haarscherp, goed
leesbaar touch-screen, het biedt eindelijk een bruikbaar mobiel
toetsenbord, en het maakt op innovatieve wijze gebruik van
‘multi-touch’. De hele gebruikershandleiding bestaat uit een
videofilmpje van een kwartier en al na een avondje uitproberen voelt
alles volkomen vertrouwd aan. Bovendien hebt je er geen
systeembeheerder voor nodig. Simpel, sexy en soepel.
De
applicaties van Microsoft bieden een overvloed aan functionaliteit. Je
kunt er in principe alles mee wat je zou willen, ze zijn tegenwoordig
behoorlijk stabiel, de beveiliging is op orde en er valt ook verder
weinig aan te merken op de fundamentele ontwerpkeuzes. Sterker nog, qua
architectuur zijn ze voorbeeldig. Alle irritante eigenschappen zijn op
de keper beschouwd niet meer dan oppervlakkige details. De applicaties
op de iPod zijn daarentegen juist erg beperkt in functionaliteit en
doordat alle functionele complexiteit zoveel mogelijk is vermeden, is
de architectuur ook betrekkelijk eenvoudig. De onderliggende technische
complexiteit is ongetwijfeld duizelingwekkend, maar vanuit het
perspectief van de doorsnee architect zijn dat nou juist de details die
hij graag aan de echte nerds overlaat.
De
conclusie moet wel zijn dat Microsoft de beste architecten heeft en
Apple juist de beste ingenieurs. Dus goeie architecten maken kennelijk
slechte applicaties en voor werkelijk goeie IT-systemen heb je meer aan
geniale ingenieurs.
De wereld op z’n kop!
Maar
is de stelling dat goede architecten zich beter niet met details kunnen
bemoeien op basis van dit ene voorbeeld dan ook te kwalificeren als
Flauwekul?
Het
is van belang om je te realiseren dat niet alle details per definitie
bijzaken zijn. Er zijn legio voorbeelden van details die over het hoofd
zijn, die gezien uiteindelijk funest bleken te zijn. Een goede
architect heeft een goed ontwikkeld gevoel voor zulke details. Om niet
te zeggen: oog voor detail is een onmiskenbare kernkwaliteit voor
architecten.
Soms heb ik wel eens het bange vermoeden
dat de architecten die zich met de meeste verve achter de stelling
verschuilen "omdat het niet bij hun functie past om zich met details
bezig te houden", dat vooral ook beweren omdat ze volkomen vervreemd
zijn van de hedendaagse technologie. Soms denk ik dat de stelling
vooral populair is onder het type ivoren-toren-architecten die hun
gebrek aan materiekennis proberen te verhullen door zoveel mogelijk
afstand te creëren van de weerbarstige werkelijkheid. Het kaliber
architecten die opmerkelijk vaak hun in wezen geniale architecturen
verprutst zien worden door incompetente ontwerpers en ontwikkelaars.
De architectuuragenda
Het
is en blijft een feit dat architectuur per definitie niet over details
gaat. Het is tegelijkertijd een hardnekkig misverstand dat architecten dus
niet voor details verantwoordelijk zouden zijn. Een gemiddelde
opdrachtgever verwacht – mijns inziens terecht – van zijn architect dan
hij zich namens hem met alle relevante details bezighoudt. Dat wil
zeggen, met alle technische, functionele, juridische, sociale of
ergonomische aspecten die – hoe futiel ook – het succes in de weg
kunnen staan. De opdrachtgever heeft zelf immers niet de benodigde
deskundigheid om te kunnen voorzien welke details relevant kunnen zijn,
laat staan de tijd om zich er zelf mee bezig te houden. Anders gesteld,
als de architect zich niet met de details bezighoudt, wie zou het dan
moeten doen? De opdrachtgever zelf? De projectmanager soms?
Pas
er als architect overigens wel voor op om al die relevante details ook
met je opdrachtgever te bespreken, of, erger nog, de opdrachtgever te
overvoeren met voor hem onbegrijpelijke details waarover hij een
beslissing moet nemen. Verantwoordelijkheid nemen voor details is
volstrekt wat anders dan je indekken door alle keuzes bij iemand anders
neer te leggen. Een goede architect voelt haarscherp aan welke details
hij zelf kan afhandelen en welke hij aan zijn opdrachtgever moet
voorleggen en in dat geval, in welk stadium hij ze moet voorleggen. Een
afgepaste dosering schept namelijk het vertrouwen dat de architect het
ontwerpproces meester is, terwijl een overvloed aan kwesties – hoe
relevant ook – juist twijfel zaait.
Het blote
feit dat een architect geacht wordt zich met alle relevante details
bezig te houden wil nog niet automatisch zeggen dat hij alles in z’n
eentje moet doen. Sterker nog, een grote architect kan juist heel
effectief zijn door allerhande specialisten in te schakelen om allerlei
aspecten voor hem uit te laten zoeken. Een effectieve architect neemt
op zo’n manier de leiding over het totale ontwerpproces, inclusief de
detaillering, ook als het om een omvangrijk traject gaat. Dit geldt
ongeacht de subdiscipline, dus of het om een businessarchitect, een
softwarearchitect, een netwerkarchitect of een enterprise-architect
gaat, de ambitie voor succes vereist een passie voor beeldbepalende
details.
Architecten moeten als
professional nadrukkelijk wel in staat zijn om hoofd- en bijzaken te
onderscheiden. Ze houden zich als het goed is zelf intensief met
hoofdzaken bezig, terwijl ze de bijzaken managen door ze uit te
besteden aan bekwame derden – engineers, ontwerpers, analisten,
vakspecialisten of junior architecten. Dat neemt echter niet weg dat ze
de bijzaken niet uit het oog verliezen, maar er uitdrukkelijk regie
over blijven voeren. Een goede architect laat het succes immers niet
aan het toeval over.
Deze flauwekul ontzenuwt een actueel architectuurdebat op een pittige en soms zelfs controversiële manier. Het is de 3de in een reeks flauwekul. Deze is op 21 februari 2008 gepubliceerd op ArchITectuur
Bedrijven.
Only registered users can write comments. Please login or register.
|