CONTENT
Terug naar community
Magazine
Proceedings
Blogs
Master thesis
Zoeken
THEMES
The CIO speaks
The architect answers
The business decides
Effect of architecture
SOA
BPM
Methods
Principles
Financial services
Public sector
Health sector
Most popular items
 
 
MAGAZINE
Report a comment

Thank you for taking the time to report the following comment to the administrator of this site.
Please complete this short form and click the submit button to process your report.

Name:
 
E-mail
 
Reason for reporting comment
 
 
 

Comment in question
Written by Pieter Wisse on 23-04-2009 22:05
 
 
Blijkbaar waren Steven van ’t Veld en ik gelijktijdig aan het schrijven. Wat hieronder allereerst volgt is wat ik schreef, vóórdat ik zijn reactie getimed op 18:36 uur op 23 april 2009 las. Daarin wijzigde ik nav zijn genoemde reactie niets. Verderop markeer ik duidelijk vanaf welk punt ik wèl inga op die reactie. 
 
Peter Bakker vermeldt allerlei soorten architect. Als dat nu mode is, dus dat elke specialist zich graag architect noemt, vooruit. Maar hoe noemen we dan iemand die overzicht, coördinatie e.d. tot haar/zijn, oeps, specifieke verantwoordelijkheid rekent? Eerlijk is eerlijk, ooit deed de slimste timmerman dat erbij. Zo werd z/hij hoofdtimmerman en vandaar architect. In die historische zin maakt Bakker als “meester-bouwer” terecht aanspraak op die aanduiding. 
Maar goed, ambachtelijke bemoeienis met onlosmakelijkheid van aspecten van dien blijkt voor allerlei opgaven niet te voldoen. Dat leidde tot verdeling van activiteiten. Vaak geldt daarvoor onderscheid tussen, zeg maar, verzinnen (lees ook: ontwerpen) en uitvoeren (lees ook: construeren). Nota bene, dat biedt allerminst een zuivere oplossing, maar roept op haar beurt altijd nieuwe problemen op. Daarover gaat volgens mij deze discussie ook! 
In betekenis, althans voor de alsmaar complexere gebouwde omgeving, verhuisde de term architect ooit naar de ontwerpkant. Zo beschouwd kan het inmiddels aanleiding tot verwarring geven door iemand die vooral uitvoerend bijdraagt (nog) architect te noemen. 
Overigens bestaat voor gebouwde omgeving aan de ontwerpkant allang weer een nadere indeling van … specialisaties. Zie ook Architekten und ihre beruflichen Perspektiven (DVA, 1982, oorspronkelijk verschenen als proefschrift) door G. Feldhusen. Wie zich daar architect noemt, werkt overwegend op de schaal van het enkele gebouw. Opmerkelijk genoeg zien ontwerpers op de schaal van de stad, en verder, er bij nader inzien opzettelijk vanàf zich als architect te afficheren. Zij heten stedebouwkundigen, zoals ondermeer onderstreept staat in Stedelijke Transformaties: Actuele opgaven in de stad en de rol van de stedebouwkundige discipline (Hulsbergen, E. en H. Meyer, samenstellers, Delftse Universitaire Pers, 1998). En uiteraard vertonen die ruimtelijke schalen wisselwerking. Er is navenant behoefte aan — borging van — oriëntatie door de schalen héén, zoals dat daar zo mooi heet. Wie rekent dàt tot haar/zijn taak? De ruimste schaal waarop in formele zin planning (in dit verband een ander woord voor ontwerp) aan de orde is, bestaat uit ruimtelijke ordening op nationale schaal. 
Langs informele(re) ‘weg’ zijn we die schaal voor informatieverkeer eigenlijk allang overstegen. Het Internet is wereldwijd. 
Maar terug aan de uitvoeringskant, nee, routinematig is weer heel iets anders. Ook (juist?!) zgn uitvoering is steeds vaker hoogst gespecialiseerd, kortom vergt keuzes, zeg gerust maar ruime ontwerpvrijheid van de betrokken specialist. Dat pleit dus weer vóór aanduiding als architect. 
 
Daar komen we dus niet meer uit. Het recht van de ene beroepsgroep om zich architect te noemen kan redelijkerwijs nooit (meer) inhouden dat het een andere beroepsgroep verboden is. Naar mijn idee is wat Bakker doet daarom optimaal. Hij verduidelijkt wat hij bedoelt. Dat lukt dankzij context, zoals Paul Jansen nogmaals benadrukt. 
Zo verduidelijkt ook Steven van ’t Veld hoe hij zijn bemoeienis opvat. Zij het impliciet verkrijgt hij daarvoor zeker erkenning door Bakker. De bepèrking die Bakker voor zijn professionele bijdragen schetst, mag Van ’t Veld vervolgens gerust óók beschouwen als diens erkenning van de betrekkelijke waarde van — zoiets als — Togaf. 
Met dank aan Jansen voor diens aanzet(ten), indien Bakker en Van ’t Veld zich allebei kunnen vinden in erkenning van hun karakteristieke verschillen, zijn we toch een stuk verder dan Daan Rijsenbrij voorstelt in de column (30 maart 2009) waarmee hij deze discussie startte. Daar schrijft hij als “[z]ijn advies [om] te stoppen met dit initiatief [Togaf] en een (wereld)standaard te ontwikkelen vanuit de vraagkant.” In de eerste plaats kunnen we Togaf wie weet zelfs toejuichen, maar dan wèl volgens reële verwachtingen, maw opbouwend gepositioneerd. Ten tweede blijkt volgens mij hier uit de diverse reacties die, opnieuw in mijn termen, accent op ontwerp leggen dat een vraagstandaard zelfs een contradictio in terminis is. Het heeft even wat tijd gekost, ;-) maar tegen Rijsenbrij’s oorspronkelijke conclusie lijken mij aldus verzameld voldoende argumenten te zijn opgeworpen. 
 
Dankzij Van ’t Velds laatste paar bijdragen meen ik voorts scherper zicht gekregen te hebben waarover hij zich druk maakt. Dat is de aanspraak op hegemonie met bijhorend gevaar van onderdrukking van nuance enzovoort. Als ik dat juist zie, schaar ik me graag aan zijn kant als tegenstander van zulke aanspraak. 
Het klopt niet, is zelfs een ronduit vàlse pretentie, indien welk raamwerk, welke methode dan ook voorgesteld is als borg van totale beheersing. Ik vermoed dat Van ’t Veld bezorgd is dat het effect tegenovergesteld is. Met een Duits neologisme zou ik dat werkelijke effect Übermobilmachung willen noemen. Ofwel, veranderingen slaan op hol. Ik ben het er weer helemaal mee eens, als Van ’t Veld bedoelt dat zulk gevaar reëel is door (te) eenzijdige aandacht voor veranderingen. 
 
De synthese is echter moeilijk herkenbaar, doordat Van ’t Veld op zijn beurt ook een ènkele term benut: stabiliteit. Hij bedoelt dat helemaal niet anti-verandering, maar wat hij er wèl mee wil zeggen blijft m.i. wat verhuld. 
De aanduiding die ik productief acht, luidt dynamisch evenwicht. Hierin ligt de nadruk op evenwicht, want dat staat er als het zelfstandig naamwoord. Maar zulk evenwicht is natuurlijk niet statisch! Werkelijkheid is tijd en daarmee veranderlijk. Het professionele doél is echter nooit de dynamiek zèlf. De tandarts geeft zijn klant na behandeling ook geen snoepgoed mee waardoor gaten in tanden en kiezen sneller vallen dat z/hij ze kan vullen. 
Wanneer Van ’t Veld zijn achterdocht wil uitdrukken tegen (markt)partijen die dynamiek-om-de-dynamiek willen aanjagen en zodoende daarentegen juist evenwicht ontwrichten, ja, dat signaal versterk ik graag. Evenwichtige dynamiek is valse retoriek. In dit geval moeten we niet op de boodschap, maar juist wèl op de boodschapper mikken. Want er zitten altijd mensen achter, die echter vaak niet eens beseffen hoe kwalijk hun schijnbewegingen uitpakken (zoals inderdaad de zgn financiële crisis maar weer eens illustreert). Togaf is het wezenlijke probleem daarom niet. Sterker nog, waarom zou het geen prima middel bieden voor geselecteerde activiteiten? 
 
Dat is naar mijn oordeel ook wat Erik Proper vergeet. Zijn oproep tot deugdelijke toetsing van Togaf verdient uiteraard volle instemming. Maar wat stelt hij als toetsingskader voor? Met andere woorden, precies wèlke activiteiten komen in aanmerking om ermee te verrichten? 
In Propers aparte oproep elders op VNA las ik dat hij een methode associeert met “to achieve X.” Daaraan meen ik vlot te herkennen hoe hij er letterlijk ‘in’ zit. Proper kent voor zijn toets van Togaf oid. immers op voorhand een doel, dat is X. Dan gaat het vervolgens inderdaad om uitvoering. Maar wie heeft ooit bedacht en zo door naar ertoe besloten dat X het doel is en niet bijvoorbeeld Y? 
Van ’t Veld wijst er m.i. terecht op dat zulke doelstelling veeleer nadruk op, hier dus in mijn vervangende terminologie, dynamisch evenwicht verlangt. Dat moet je inderdaad maar kunnen. Zachtjes uitgedrukt is twijfel gerechtvaardigd, of je daarvoor moet zijn bij commerciële partijen met een nadrukkelijk éénzijdig eigenbelang bij veranderingsprocessen. 
 
Vroeg of laat moet het dus om een beroepsethiek gaan, met alle zèlfbeperking door nota bene de dienstverlener van dien. In een afhankelijkheidsrelatie moet de klant er zelfs èxtra op kunnen vertrouwen dat de professionele dienstverlener in voldoende mate het klantperspectief kiest en haar/hem eventueel ook begeleidt tot inzicht in relevant dynamisch evenwicht. Dankzij de vertrouwensrelatie groeit doorgaans pas in wisselwerking realiteitszin. Dat is pas een heuse X-factor. 
 
… en toen wilde ik bovenstaande tekst (uiteraard met uitzondering van de later toegevoegde aanhef) als reactie plaatsen. Steven van ’t Veld was mij vóór met een reactie die hij aan mij richtte. Hartelijk bedankt ervoor. 
 
Ik het bovenstaande ben ik volgens mij al ingegaan op diverse thema’s die Van ’t Veld (verder) aansnijdt. Zo vermeldt Van ’t Veld “planologie” en dat weerspiegelt inderdaad een ruimere ordeningsschaal. 
Waarop ik verder graag reageer is dat Van ’t Veld en ik blijkbaar zéér sterk afwijkende ontwerpbegrippen hanteren. Ik proef dat hij er een beperking aan geeft, die ik juist niet zie. Context, dus. Hopelijk helpt de samenstelling dynamisch evenwicht te verduidelijken dat vanwege zijn inherente dynamiek dat evenwicht continue onderwerp van ontwerp moet zijn. In die zijn komen ontwerp en onderhoud sterk overeen. Volgens mij vindt Van ’t Veld dat ook, maar noemt hij dàt architectuur. Als dat zo is, zijn we het dus over strekking eens. 
Ik begrijp ons misverstand tot dusver, als het zo is dat Van ’t Veld de gebruikelijke indeling in de anglo-saksische landen volgt. Daar komt analyse vóór ontwerp. Dat zie ik dus òmgekeerd. Dan kan Van ’t Veld het hinderlijk vinden dat ik daarvoor verwijs naar eerdere publicaties (waarin ik die omkering schets), maar hoe ziet hij vakontwikkeling ànders dan via uitspraken toetsbaar krijgen door ze allereerst maar eens te documenteren? Daarin heeft Erik Proper m.i. volstrekt gelijk. 
Nee, ik voel me allerminst aangesproken dat ik “vorm [ga] geven aan oplossing nummer 10.001.” Het is, opnieuw, zelfs uitdrukkelijk òmgekeerd. Het paradigma van civiele informatiekunde is immers wezenlijk infrastructureel voor informatieverkeer. Als Van ‘t Veld al schalen wilt vergelijken, maak ik uit zijn teksten op dat hij overwegend de organisatorische kiest terwijl ik bewust door-de-schalen-heen tot en met nadrukkelijk op de maatschappelijke mik. Overigens kan ik me prima voorstellen dat er ooit een versie van Togaf komt die bepaalde uitvoeringsaspecten ook op die schaal dekt. 
Je hebt gelijk: “Het is praktisch onmogelijk om een ontwerp te maken van behoeften aan informatie voor een omgeving. Dat betekent dat je wel opschaalt, maar nooit kompleet zult zijn en dus geen totaaloverzicht hebt.” Daarom gebeurt dat volgens civiele informatiekunde ook niet. Met focus op infrastructuur, niet beperkt tot wat techniek in een aparte organisatie, maar voor informatieverkeer op maatschappelijke schaal lukt dat wèl. Ik ben inderdaad zo “grof” om je voor nader inzicht naar verdere publicaties te verwijzen. Maar, nee hoor, ik “verwijt” Van ‘t Veld in dat opzicht helemaal niets. Ik betreur zijn desinteresse slechts, dat natuurlijk wel. 
Wellicht kan Van ‘t Veld ooit toelichten wat op mij overkomt als een allergie voor literatuurstudie. Het lijkt erop dat hij de gedachtesprong maakt dat iemand die zich aan zijn adres zelfs maar waagt aan een verwijzing “van zichzelf vindt dat hij/zij de oplossing voor alles heeft, en de denkwijze die iedereen zou moeten hebben.” In elk geval voel ik mij opnieuw allesbehalve aangesproken, integendeel zelfs. Zoals ikzelf het zie, doe ik moeite om redelijke, dus onderling afhankelijke positioneringen voor mensen en methoden te bepleiten. Aan Van ’t Veld lijkt het allemaal echter minder besteed. Hoe ik nòg duidelijker kan helpen, zoals Jan van Til eerder deed, om juist voor zijn opvatting erkenning te verkrijgen, weet ik zo gauw niet. 
Nee, met informatiekundige ontwerpleer bedoel ik geen “ontwerprichtlijnen.” Wat dan wel? Ik durf het Van ’t Veld bijna niet te suggereren, maar lees het boek eens met de gelijknamige titel (ook beschikbaar op het ww web). Daarin staat ondermeer een fictief vraaggesprek met Jean-Paul Sartre over verantwoordelijkheid. Niet-kiezen is altijd óók een keuze stelt hij en volgens mij doet hij dat terecht. Daarom maakt Van ’t Veld zich volgens mij nog valse illusies over vrijheid als het ontwijken van beperkingen voor ontwikkeling. Dat ruimste, want existentialistische ontwerpbegrip vind ik vruchtbaar werken.

 
Related Items