Thank you for taking the time to report the following comment to the administrator of this site.
Please complete this short form and click the submit button to process your report.
Wat die aangekondigde samenvatting betreft, daarin gaat voor Rijsenbrij dus steeds meer werk zitten. ;-) Gelukkig maar! Hoezo, “niet meer reageren”? Dat lijkt me geen reële optie, nadat zoveel mensen zoveel energie staken om gehoor te geven aan, nota bene, zijn verzoek om reacties.
Dank je wel, Steven (van ’t Veld), voor je nadere reacties. Vooral stem ik graag in met wat Van ‘t Veld schreef nav wat Peter Bakker eerder opwierp als associatie van architectuur met verandering. Tegelijk meen ik ook wel het accent van Bakker te volgen. Het blijft m.i. ondermeer misgaan door vanuit (het woord) architectuur te redeneren. Pap, wat is een containerbegrip, vroeg gisteren mijn oudste dochter mij toevallig. Dat staat inderdaad, meen ik, op gespannen voet met alle aspecten, verschijnselen, noem maar op die Van ‘t Veld aan de orde stelt. Dat neemt echter niet weg, en volgens mij stelt Van ’t Veld dat ook duidelijk, dat er natuurlijk van alles en nog wat verandert. Maar dat is niet, herhaal, niet àlles. Het was niet om er iets absoluuts tegenover te stellen (want daardoor verschuift het zwaartepunt van verwarring slechts), maar in een poging tot wat scherper zich op schakering dat ik hetzelfde accent koos als Bakker naar mijn idee nu presenteert. Dan helpt het om een àndere term te gebruiken. Dus niet architectuur. Mijn keuze, zeker niet origineel, viel op ontwerp. Toegespitst, informatiekundige ontwerpleer. Onmiddellijk is de nauwere associatie met verandering wèl redelijk, zelfs ronduit opportuun.
Van ’t Veld, als ik hem goed begrijp, wijst er terecht op dat veranderingen niet lòs staan. Sterker nog, als ik me een woordspeling mag veroorloven, het vèld waarin ze passend moeten opgaan is veel ruimer. De kans om die ruimte te waarderen lijkt Bakker echter op eigen initiatief te beperken want “[z]ijn ervaring en interesse komt vooral voort uit de samenwerking tussen architect(en), engineers en bouwers.” Prima, dat is ook maar weer duidelijk. Maar zelfs, of juist, onder de noemer van ontwerp-annex-verandering is die beperking op z’n gunstigst kortzichtig, maar waarschijnlijker vòl risico’s. Voor wie? Dat geeft Van ’t Veld volgens mij mooi aan. Want vooral de, zeg maar, duurzame bewoners van het veld verdienen erkenning voor “iets dat er nog niet is, iets dat er misschien moet komen.” Die hulpverleners die Bakker opsomt, zijn allang weer weg wanneer de èchte effecten optreden. In zijn rijtje noemt hij overigens tevens de architect, maar Van ’t Veld bedoelt daarmee iemand ànders, te weten iemand die verder kijkt (lees ook; zich verantwoordelijk weet) dan de apart beschouwde transactie … omdat in de werkelijkheid nu eenmaal niets strikt apart bestaat.
Met wat Van ‘t Veld mij (meer) direct adresseerde, verraste hij mij. Ja, ik wist dat hij indertijd meewerkte aan dergelijke conceptuele grondslagen. Ik ben deels aangenaam verrast dat hij dat ophaalt. Want ik ben het volkomen met Van ‘t Veld eens dat slechts zùlke grondslagen, conceptuele dus, samenhang helpen) borgen. Ik meende echter, omgekeerd, dat Van ‘t Veld van mij allang wist dat ik resultaten van die ISO-ontwikkeling principieel tekort vind schieten. De wiskundige bewijsvoering is immers ook maar bepaald door de gehanteerde axioma’s. Op mijn beurt ontwierp (!) ik een axiomatisch stelsel voor zgn radicale interdependentie. Klopt, dat strookt tevens met zijn standpunt over variëteit onder de noemer van architectuur. Dat verklaart mijn deels onaangename verrassing. ;-) Wanneer we Togaf als het ware ontologisch wilt positioneren in het gehele werkelijkheidsveld, is naar mijn overtuiging een rijkere conceptuele basis nodig dan wat de activiteiten die Van 't Veld noemt opleverden. Tijdens een eerdere discussie hier op Via Nova Architectura, om een eerdere verrassing te schetsen, verklaarde Van ’t Veld overigens dat hij geen tijd heeft om uitvoerige literatuur na te slaan. Daarom laat ik hier verwijzing ernaar maar achterwege.
Eigenlijk heeft Paul Jansen (veel) eerder in deze discussie al pogingen gewaagd om Togaf realistisch te positioneren. Het is, dat ben ik hartgrondig met hèm eens, nooit een kwestie van welles, nietes. Nooit òf zwart, òf wit. Jansen probeert met de nodige precisie te duiden wat in positieve zin de plááts van Togaf is. Daaruit volgt dat (ook) Togaf opgevat moet zijn in een bepaalde context. Het enige wezenlijke geschilpunt vind ik daarom of Togaf al dan niet op die manier ‘relatief’ is. Jansens antwoord luidt: ja. Mocht ik zijn bijdragen foutief interpreteren, zie ik natuurlijk graag zijn verbetering. In een eerdere reactie probeerde ik aan te geven dat wie op de relativiteitsvraag naar haar/zijn aard liefst met ‘nee’ wil antwoorden, die vraag niet of nauwelijks kàn begrijpen. Dat maakt deze discussie extra lastig. Wat ontbreekt is een spoor voor metacommunicatie. Dat leidt tot herhalingen, touché, waaraan ik inderdaad meedoe zoals blijkt uit deze hernieuwde vraag om aandacht voor ‘onze’ metacommunicatie.
Van ’t Veld, althans zo komen zijn bijdragen hier op mij over, wijst Togaf categorisch àf. Waarom? Dat wordt duidelijk door te willen begrijpen waar hij vóór is. Als ik het gemakshalve in één woord probeer te vangen, Van ’t Veld is vóór variëteit. Hé, dat ben ik ook! En Jansen enzovoort! Van Til, ook zo’n typisch variëteitsmens. Over variëteit gesproken, Jansen en ik zijn echter helemaal niet tégen Togaf, omdat sommige mensen er absolute claims op baseren. Dat ligt immers niet aan Togaf, maar aan die mensen. Daarom mikken we ànders. Dus, Togaf, prima, maar ‘slechts’ voor zus-en-zo. Nogmaals, daaraan hebben verstokte vóórstanders geen boodschap. Zo sektarisch is veel gedrag blijkbaar. Oeps, dat is niet anders als het gaat om conceptuele grondslagen, waarover Van ’t Veld en ik (nog) sterk van mening verschillen … Als dat toch even mag, in formele zin reikt de variëteit van mijn axiomatisch ontwerp (waarin relativisme principieel besloten ligt!) principieel verder dan dat van bijvoorbeeld John Sowa. Als het dus op rationele afweging aankomt, zoals Van ’t Veld voorstelt, zou ons meningsverschil dus allang eenvoudig opgelost moeten zijn. Maar dat zou van zijn kant enige literatuurstudie vergen; zolang dat niet gebeurt, heeft discussie over dat thema dus geen zin. Goed, verstokte vóórstanders, hoe valt te discussiëren met iemand die absolute geldigheid blijft opeisen? Feitelijk was er dan nooit een discussie en is wat er gebeurt puur een kwestie van heersende macht. Die toestand valt lastig opbouwend te veranderen, maar volgens mij moet een verantwoorde ontwerper het blijven proberen.